Announcements

“Works on My Machine”: Waarom dit probleem nog steeds bestaat in 2026

Published:
Updated:
ASD Team
By ASD Team • 13 min read
Share
“Works on My Machine”: Waarom dit probleem nog steeds bestaat in 2026

De hardnekkigheid van een klassiek probleem

Waarom deze uitspraak blijft bestaan

Je zou denken dat de uitspraak “works on my machine” tegen 2026 allang verdwenen zou zijn—net als floppy disks en handmatige deployments. Toch leeft hij nog steeds. Je hoort hem tijdens code reviews, ziet hem terug in chatgesprekken en soms wordt hij zelfs gebruikt als verdedigingsmechanisme wanneer iets buiten de laptop van een developer stukgaat.

Waarom blijft dit probleem bestaan? Het korte antwoord: software-omgevingen zijn nog steeds niet echt uniform. Ondanks alle vooruitgang in tooling, automatisering en infrastructuur werken developers nog altijd in omgevingen die subtiel—maar betekenisvol—van elkaar verschillen.

De diepere reden ligt in een combinatie van menselijke gewoonten en systeemcomplexiteit. Developers optimaliseren hun lokale omgeving voor snelheid en gemak. Na verloop van tijd verzamelen hun machines aanpassingen, gecachte dependencies, environment variables en achtergrondservices die hun workflow stilletjes ondersteunen. Alles voelt stabiel omdat het vertrouwd is.

Maar die stabiliteit is misleidend. Het is alsof je traint op een perfect glad veld en vervolgens een wedstrijd speelt op oneffen terrein. De regels zijn hetzelfde gebleven, maar de omstandigheden zijn veranderd—en plotseling daalt de performance.

Wat dit probleem in stand houdt, is niet een gebrek aan tools, maar een mismatch in prioriteiten. Lokale omgevingen zijn geoptimaliseerd voor productiviteit, terwijl gedeelde omgevingen—zoals testing, staging en CI—gericht zijn op consistentie. Zolang die twee doelen niet op elkaar afgestemd zijn, blijft deze uitspraak bestaan.

De illusie van lokaal succes

Wanneer code succesvol draait op de machine van een developer, geeft dat een krachtig—maar vaak misleidend—gevoel van zekerheid. Alles compileert, tests slagen en de applicatie werkt zoals verwacht. Het voelt alsof het werk klaar is.

Maar lokaal succes is vaak een illusie, gebouwd op onzichtbare ondersteuning. Misschien is een dependency maanden geleden globaal geïnstalleerd. Misschien bestaat er een configuratiebestand lokaal dat niet in version control zit. Of draait er een achtergrondservice waarvan niemand anders het bestaan kent.

Deze onzichtbare factoren vormen een vangnet dat alleen op die ene machine bestaat. Haal dat weg—zoals gebeurt in gedeelde omgevingen—en het systeem begint te falen.

Het probleem is dat developers niet zien wat ontbreekt; ze zien alleen dat het werkt. Dit creëert een blind spot. Wanneer iets elders stukgaat, is de eerste reactie vaak om de oorzaak extern te zoeken, in plaats van in de omgeving.

Deze illusie is vooral gevaarlijk in teams. Wat voor de één een “werkende setup” is, wordt voor een ander een debugging-nachtmerrie. En omdat de verschillen vaak subtiel zijn, kan het veel langer duren dan verwacht om de echte oorzaak te vinden.

Wat “works on my machine” echt betekent

Verborgen afhankelijkheden en aannames

In de kern is “works on my machine” geen uitspraak over correctheid—het is een uitspraak over context. Het betekent dat de code werkt onder een specifieke set voorwaarden die niet volledig gedocumenteerd of begrepen zijn.

Verborgen afhankelijkheden zijn vaak de grootste boosdoener. Denk aan:

  • Globaal geïnstalleerde packages die niet in projectbestanden staan

  • Environment variables die handmatig op één machine zijn ingesteld

  • Lokale services zoals databases of caches die op de achtergrond draaien

Op zichzelf zijn deze zaken niet verkeerd. Het probleem ontstaat wanneer ze impliciet zijn in plaats van expliciet. Als je applicatie ergens van afhankelijk is, moet dat gedeclareerd, geversioneerd en reproduceerbaar zijn.

Aannames zijn net zo problematisch. Developers gaan er vaak vanuit dat bepaalde zaken vanzelfsprekend zijn, zoals bestandspaden, systeemrechten of netwerktoegang. Lokaal klopt dat meestal, maar in andere omgevingen kan dit falen.

Het echte probleem is niet dat deze afhankelijkheden bestaan—maar dat ze onzichtbaar zijn. En onzichtbare afhankelijkheden zijn onmogelijk effectief te beheren.

Omgevingsdrift in de tijd

Zelfs als twee developers met identieke setups beginnen, blijven hun omgevingen niet lang gelijk. Deze geleidelijke afwijking wordt “environmental drift” genoemd en is een van de meest onderschatte oorzaken van inconsistentie.

Elke update, installatie of configuratiewijziging verschuift een omgeving een klein beetje. Over weken of maanden stapelen deze kleine verschillen zich op, totdat twee systemen die ooit identiek waren zich compleet anders gedragen.

Drift is lastig omdat het geleidelijk gebeurt. Er gaat niet meteen iets stuk, waardoor veranderingen vaak onopgemerkt blijven. Pas wanneer code tussen omgevingen wordt verplaatst, worden de inconsistenties zichtbaar.

In 2026 is dit probleem niet verdwenen—het is juist complexer geworden. Moderne development omvat meer tools, meer afhankelijkheden en meer abstractielagen dan ooit. Elke laag introduceert nieuwe kansen voor drift.

De kernoorzaken van het probleem

Inconsistente omgevingen

De kern van het probleem is eenvoudig: niet alle omgevingen zijn gelijk. Zelfs wanneer teams proberen hun setups te standaardiseren, blijven er subtiele verschillen bestaan.

Besturingssystemen gedragen zich anders. Filesystems gaan verschillend om met hoofdlettergevoeligheid. Standaardconfiguraties variëren. Deze verschillen lijken klein, maar kunnen grote impact hebben op hoe code draait.

Zelfs binnen hetzelfde OS kunnen verschillen in geïnstalleerde libraries, systeemupdates en gebruikersinstellingen inconsistenties veroorzaken. Twee machines met dezelfde OS-versie kunnen zich onder bepaalde omstandigheden toch anders gedragen.

De uitdaging is dat perfecte consistentie moeilijk te bereiken is. Het vereist niet alleen afstemming van tools, maar van elke laag in de omgeving—van het OS tot de kleinste dependency.

Non-deterministische afhankelijkheden

Dependencies zijn een andere grote bron van onvoorspelbaarheid. Wanneer versies niet strikt worden beheerd, kunnen omgevingen afhankelijkheden op verschillende manieren oplossen.

Dit leidt tot non-deterministisch gedrag, waarbij dezelfde code verschillende resultaten oplevert afhankelijk van waar en wanneer deze wordt uitgevoerd. De ene machine installeert bijvoorbeeld versie A van een dependency, terwijl een andere versie B installeert—met subtiel ander gedrag.

Dit probleem is vooral groot in ecosystemen waar dependencies vaak veranderen. Zelfs een kleine update kan breaking changes veroorzaken.

Zonder strikte versiecontrole en reproduceerbare builds is deze variabiliteit onvermijdelijk. In combinatie met omgevingsverschillen vormt dit de perfecte basis voor het “works on my machine”-probleem.

Moderne development heeft het probleem verergerd

Complexiteit van toolchains

Moderne development toolchains zijn ongelooflijk krachtig—maar ook extreem complex. Een gemiddeld project bevat vaak meerdere runtimes, package managers, buildtools en configuratielagen.

Elk van deze componenten introduceert zijn eigen variabelen. Wanneer ze met elkaar interageren, vermenigvuldigt de complexiteit zich. Een klein verschil in één laag kan leiden tot onverwacht gedrag elders in het systeem.

Deze complexiteit maakt het moeilijker om omgevingen te begrijpen en te beheersen. Het gaat niet langer alleen om het installeren van de juiste versie van een programmeertaal—het gaat om het afstemmen van een volledig ecosysteem aan tools.

En hoe complexer het systeem, hoe kwetsbaarder het wordt.

Gedistribueerde systemen en externe services

Hedendaagse applicaties draaien zelden geïsoleerd. Ze zijn afhankelijk van externe services, API’s en gedistribueerde systemen. Deze afhankelijkheden introduceren variabiliteit die moeilijk te controleren is.

Lokaal gebruiken developers vaak mocks of vereenvoudigde versies van deze services. In gedeelde omgevingen komen de echte systemen in beeld—met andere latency, beschikbaarheid en gedrag.

Deze kloof tussen lokale omstandigheden en de realiteit is een belangrijke reden waarom code die “works on my machine” lokaal prima draait, elders faalt.

De kosten van het negeren van het probleem

Verspilde tijd en gebroken vertrouwen

Op het eerste gezicht lijkt “works on my machine” misschien een klein ongemak—een tijdelijk verschil dat snel opgelost kan worden. In werkelijkheid put het stilletjes een van de meest waardevolle middelen van elk team uit: tijd.

Elke keer dat code zich anders gedraagt in verschillende omgevingen, moet iemand stoppen met zijn werk om het probleem te onderzoeken. Dat onderzoek verloopt zelden lineair. Het omvat het reproduceren van het probleem, het vergelijken van setups, het analyseren van logs en vaak het heroverwegen van aannames die enkele uren eerder nog vanzelfsprekend leken.

Wat dit extra frustrerend maakt, is dat het probleem vaak niet zichtbaar is in de code zelf. Het zit in de verschillen tussen omgevingen. In plaats van het product te verbeteren, besteden developers uren aan het najagen van “spookproblemen”—issues die lokaal verdwijnen maar elders blijven terugkomen.

Na verloop van tijd ontstaat er frictie binnen teams. De ene developer is ervan overtuigd dat een feature klaar is, terwijl een ander zegt dat deze niet werkt—en beide hebben gelijk binnen hun eigen context.

Deze dynamiek ondermijnt vertrouwen. Niet alleen tussen mensen, maar ook in het systeem zelf. Wanneer builds onvoorspelbaar worden, verliezen teams vertrouwen in hun pipelines, tests en soms zelfs in hun deploymentproces.

Besluitvorming vertraagt, omdat niemand zeker weet wat er zal gebeuren. En zodra die onzekerheid binnensluipt, daalt de productiviteit veel sterker dan door de oorspronkelijke bug.

In een snel veranderende omgeving is consistentie geen luxe—het is een vereiste. Zonder consistentie voelt zelfs een kleine wijziging als een risico en wordt elke release een onderhandeling met onzekerheid in plaats van een stap vooruit.

Productierisico’s en verborgen bugs

De gevaarlijkste kant van dit probleem wordt zichtbaar wanneer inconsistenties ongemerkt door development en testing heen glippen en uiteindelijk in productie terechtkomen. Een feature die lokaal stabiel lijkt—en misschien zelfs in beperkte tests goed werkt—kan zich in de praktijk heel anders gedragen.

Hier komen verborgen bugs naar voren. Dit zijn geen duidelijke fouten, maar subtiele problemen die alleen onder specifieke omstandigheden optreden. Denk aan timingproblemen, configuratieverschillen of dependencies die zich net iets anders gedragen. Lokaal lijkt alles prima, maar in productie gaat er iets mis—vaak zonder direct duidelijke oorzaak.

Deze bugs zijn bijzonder kostbaar omdat ze moeilijker te diagnosticeren zijn. Je kunt ze niet eenvoudig lokaal reproduceren, waardoor debugging plaatsvindt met beperkte zichtbaarheid. Ondertussen ervaren gebruikers problemen die de performance, betrouwbaarheid of data-integriteit beïnvloeden.

Daarnaast is er een cumulatief effect. Als omgevingen niet consistent zijn, introduceert elke fase—development, testing, staging en productie—nieuwe variabelen. Tegen de tijd dat de code bij gebruikers komt, heeft deze al meerdere lagen van mogelijke afwijkingen doorlopen.

Het negeren van het “works on my machine”-probleem vertraagt teams niet alleen—het vergroot ook het risico dat instabiele software wordt uitgerold. En zodra problemen productie bereiken, stijgen de kosten om ze op te lossen exponentieel, zowel in tijd als in impact.

Hoe teams dit oplossen in 2026

Gestandaardiseerde ontwikkelomgevingen

In 2026 is een van de meest effectieve oplossingen een verschuiving naar gestandaardiseerde ontwikkelomgevingen. In plaats van elke developer zijn eigen setup te laten configureren, definiëren teams een gedeelde omgeving die iedereen gebruikt.

Dit betekent niet dat flexibiliteit volledig verdwijnt—maar wel dat er een stabiele basis wordt gelegd. Elke developer werkt vanuit dezelfde foundation: dezelfde toolversies, configuraties en dependencies. Het doel is om verrassingen te elimineren wanneer code van de ene machine naar de andere gaat.

Interessant genoeg verandert dit ook de teamdynamiek. Onboarding verloopt sneller, omdat nieuwe developers niet zelf een werkende setup hoeven samen te stellen uit verspreide documentatie. Debugging wordt meer collaboratief, omdat iedereen binnen dezelfde kaders werkt. Wanneer iets stukgaat, is het eenvoudiger om te bepalen of het probleem in de code zit of in de omgeving.

Standaardisatie verlaagt ook de cognitieve belasting. Developers hoeven zich niet voortdurend af te vragen of hun setup overeenkomt met die van anderen. Ze kunnen zich richten op het oplossen van problemen in plaats van het beheren van configuraties.

De belangrijkste les hier is dat consistentie niet draait om controle—maar om gedeeld begrip. Wanneer omgevingen op elkaar afgestemd zijn, wordt communicatie duidelijker en worden problemen sneller opgelost.

Reproduceerbare builds en strikte configuraties

Een andere belangrijke verschuiving is de focus op reproduceerbaarheid. Teams stappen af van flexibele, los gedefinieerde setups en bewegen richting systemen waarin elke build voorspelbaar en herhaalbaar is.

Dit begint met strikt configuratiebeheer. Elke dependency, elke environment variable en elke buildstap wordt expliciet vastgelegd. Niets wordt aan het toeval overgelaten of impliciet verondersteld. Als iets nodig is, wordt het gedeclareerd.

Reproduceerbare builds gaan nog een stap verder. Ze zorgen ervoor dat dezelfde input—code, configuratie en dependencies—altijd hetzelfde resultaat oplevert. Dit elimineert een grote bron van variabiliteit en maakt debugging aanzienlijk eenvoudiger.

Er is ook sprake van een culturele verschuiving. Teams accepteren steeds minder dat “het werkt lokaal” voldoende bewijs is. Succes wordt gedefinieerd door de vraag of code overal werkt waar het moet draaien.

Dit proces gebeurt niet van de ene op de andere dag. Het vereist discipline, de juiste tooling en de bereidheid om bestaande workflows te herzien. Maar de voordelen zijn duidelijk: minder verrassingen, snellere debugging en een betrouwbaarder ontwikkelproces.

Praktische strategieën die echt werken

Elimineer impliciete afhankelijkheden

Als er één principe is dat dit probleem consistent oplost, dan is het dit: maak alles expliciet. Impliciete afhankelijkheden—de verborgen onderdelen van de omgeving waarop je code vertrouwt—zijn de kern van de meeste inconsistenties.

Begin met een eenvoudige vraag: als iemand jouw project clonet op een volledig schone machine, werkt het dan meteen? Als het antwoord geen duidelijke “ja” is, zijn er ergens impliciete afhankelijkheden.

Dit kunnen niet-gedefinieerde packages zijn, ontbrekende configuratiebestanden of aannames over systeemgedrag. Het doel is om deze zichtbaar te maken en expliciet vast te leggen.

Een effectieve aanpak is om je setup regelmatig te testen in een schone omgeving. Dit dwingt je om verborgen aannames te ontdekken en op te lossen voordat ze elders problemen veroorzaken.

Documentatie helpt, maar is op zichzelf niet voldoende. Hoe meer je je setup kunt vastleggen in scripts en configuratiebestanden, hoe minder ruimte er is voor menselijke fouten.

In essentie verander je je omgeving in iets dat reproduceerbaar is—niet iets dat je moet onthouden.

Test zoals je deployt

Een andere strategie die echt verschil maakt, is het zo dicht mogelijk bij elkaar brengen van je testomgeving en je productieomgeving. Hoe kleiner het verschil tussen deze omgevingen, hoe minder verrassingen je zult tegenkomen.

Dit betekent niet dat je elk detail exact moet repliceren, maar wel dat je de belangrijkste elementen afstemt: runtimeversies, configuraties en kritieke dependencies. Als je applicatie zich anders gedraagt in testing dan in productie, laat je ruimte voor inconsistenties.

Tests moeten ook realistische omstandigheden weerspiegelen. Als je applicatie afhankelijk is van externe systemen, denk dan goed na over hoe deze interacties worden gesimuleerd in je tests. Vereenvoudigde mocks zijn nuttig, maar mogen belangrijke gedragingen niet verbergen.

Daarnaast is het waardevol om tests uit te voeren onder omstandigheden die lijken op productie: beperkte resources, parallelle uitvoering en realistische datasets. Juist in deze situaties komen problemen naar voren die je in een perfect gecontroleerde lokale omgeving niet zou zien.

Het idee is eenvoudig: behandel testing niet als een aparte wereld, maar als een preview van de realiteit.

Conclusie

“Works on my machine” is niet zomaar een uitspraak—het is een signaal. Het wijst op een kloof tussen omgevingen, een mismatch tussen aannames en de werkelijkheid. En ondanks alle vooruitgang in developmentpraktijken bestaat die kloof nog steeds in 2026, omdat softwarecomplexiteit alleen maar is toegenomen.

Het probleem blijft bestaan omdat lokale omgevingen per definitie persoonlijk zijn, terwijl gedeelde omgevingen consistentie vereisen. Het overbruggen van deze kloof vraagt om meer dan alleen tools—het vereist een andere manier van denken over omgevingen, dependencies en reproduceerbaarheid.

Teams die dit goed aanpakken, zijn niet per se de teams met perfecte setups. Het zijn de teams die verschillen verwachten en systemen ontwerpen om die verschillen te elimineren. Ze maken afhankelijkheden expliciet, standaardiseren omgevingen en behandelen reproduceerbaarheid als een kernvereiste in plaats van een bijzaak.

Het doel is niet om lokale flexibiliteit volledig te elimineren. Het doel is om ervoor te zorgen dat flexibiliteit niet ten koste gaat van betrouwbaarheid. Wanneer code zich overal hetzelfde gedraagt, wordt development soepeler, samenwerking eenvoudiger en worden releases voorspelbaarder.

En op dat moment verliest de uitspraak “works on my machine” zijn betekenis—omdat het overal werkt waar het moet.

 

ASD Team
Written by

ASD Team

The team behind ASD - Accelerated Software Development. We're passionate developers and DevOps enthusiasts building tools that help teams ship faster. Specialized in secure tunneling, infrastructure automation, and modern development workflows.